Maandag. Het is de eerste dag van de voorjaarsvakantie. Ik heb een week vrij van het werk genomen. Nog belangrijker: ik heb mezelf beloofd om zo weinig mogelijk achter de laptop te zitten. Mijn zonen willen naar de stad. Zij zijn de baas. Papa regelt het. Zij en ik doen alsof we niet weten waarom we naar de stad gaan. Hun blik spreekt boekdelen: ze willen een kaasstengel van de bakker. Dat moddervette broodje dat ik uiteindelijk haal interesseert me niet. Ik smul alleen al van het ontkennen van onze eindbestemming. “Bakker? Waarom zouden we daarheen gaan? Hoe komen jullie erbij.” We springen op de fiets met kinderzitjes. Eén voor, één achter, papa fietst.

“Pap, in de vakantie van de zomer kan ik niet met jullie mee op vakantie.”

Slimme plannen

Onderweg begint m’n zoon van 6 jaar hardop te dromen. Ik ontken voor de zoveelste keer dat onze eindbestemming onze eindbestemming is. Opeens komt het. “Pap, in de vakantie van de zomer kan ik niet mee op vakantie.” Ik speel het spel mee. “Oh, wat jammer. Waarom niet dan?” Hij is voorbereid en reageert snel: “Dan moet mijn zeppelin klaar zijn waarmee ik naar de woestijn ga.” Ik krijg er geen speld tussen. Voordat ik er een woord tussen krijg presenteert hij zijn reisplan voor de zeppelin. In chronologische volgorde vertelt hij over zijn vlucht waarin hij de woestijn verkent, de oceaan oversteekt, Mexico passeert en uiteindelijk eindigt in New York. “Dat zijn slimme plannen [1], pap.” Opeens stopt hij met dromen. De kapitein heeft een probleem. Alle hens aan dek.

Zoals een echte kapitein betaamt

Het reisplan is uitgezet. Het schort alleen aan de techniek. “Arrrggh, dat is nog zoveel werk, zeg. Pap, ik heb een hele grote pomp nodig om de zeppelin op te blazen. Een echte reuzepomp.” Ik bewonder zijn dromen, maar vooral zijn serieuze plannen om deze klus te klaren. Ik wil hem laten dromen, maar wel serieus zijn over zijn zorgen. Ik blijf in jargon. “Maar heb je dan geen bouwtekening van jouw zeppelin?” Geen reactie. Ik fiets de hoek om. Ta-da, de benzinepomp! “Weet je, papa heeft een idee.” In mijn ooghoek zie ik al het begin van de stad. Ik pak snel de slang van de luchtpomp bij de benzinepomp om zijn plannen te redden. “Is deze luchtpomp groot genoeg voor jouw slimme plannen?” Ik verwacht een groots antwoord. Maar nee. Hij reageert nogal koeltjes, bijna nonchalant. “Ja, daarmee lukt het wel. Gaan we nou nog kaasstengels halen?”

Baas boven baas, papa rijdt verder. Immers ben ik ‘maar’ papa, hij de kapitein van de zeppelin. Blijf vooral dromen, vriend. Op de fiets begin ik ook te dromen. Dat mijn zoon altijd 6 jaar blijft en mij zo blijft uitdagen.

 

[1] Dit behoeft toelichting. Mijn oudste broer vertelde mijn zoon van 6 jaar dat boeven inbreken en slechte dingen doen. Dat zijn ‘slechte plannen.’ Alles wat mijn zoon nu bedenkt, alhoewel niet altijd haalbaar, is per definitie ‘slim’.
Share This